De erfelijke vorm van NA komt bij meerdere personen in één familie voor en wordt van de ene generatie naar de volgende doorgegeven. Als er bij u in de familie verder niemand is die klachten of verschijnselen heeft die bij NA passen, dan kunt u ervan uitgaan dat u deze erfelijke vorm niet heeft.

Dominante erfelijkheid
Erfelijkheid wil zeggen dat eigenschappen van mensen van de ene generatie op de andere worden overgedragen. Eigenschappen kunnen zowel lichamelijk zijn (bijvoorbeeld de kleur van de ogen) als psychisch (het karakter). Het overdragen van eigenschappen gebeurt door middel van het erfelijk materiaal in de cellen. Dit erfelijk materiaal heet ook wel ‘DNA’. Het DNA zit in de cellen opgerold en verpakt in de chromosomen, ofwel celkernlichaampjes. Een stukje erfelijk materiaal dat één eigenschap overdraagt wordt een gen (meervoud: genen) genoemd.

Ieder kind krijgt bij de bevruchting twee versies van ieder gen, één van vader en één van moeder. Vader en moeder hebben op hun beurt ook weer twee versies van hun vader en moeder gekregen. Nu kunnen eigenschappen, ook erfelijke aandoeningen, op twee manieren doorgegeven worden. Voor de ene manier is het gen van maar één ouder nodig. Wat het gen van de andere ouder doet, is dan niet belangrijk. Dit soort erfelijkheid noemen we met een medische term dominant. Voor de andere manier zijn de twee genen van beide ouders nodig. Als die niet allebei aanwezig zijn, wordt de eigenschap niet doorgegeven. Deze vorm van erfelijkheid heet recessief.

HNA is een dominante aandoening. U heeft dus van één van uw ouders een stukje erfelijk materiaal gekregen waar een verandering in zat die andere mensen niet hebben. Deze verandering zorgt waarschijnlijk voor de verhoogde gevoeligheid van de zenuwen voor beschadiging. We weten dat HNA dominant is door de manier waarop de aandoening in families wordt doorgegeven. In geen enkele familie die we kennen zijn bijvoorbeeld beide ouders van een patiënt aangedaan.

Voorspelling HNA
Het dominant zijn van een aandoening heeft ook gevolgen voor de kans dat uw kinderen dezelfde aandoening te krijgen. Statistisch gezien is die kans 50%. Dit wil zeggen dat in theorie de helft van de kinderen de aandoening erven van hun ouders. Hierbij moet u goed onthouden dat dit alleen in theorie precies de helft zal zijn. Theorie over dit soort kansen is altijd gebaseerd op grote groepen mensen. Voor u en uw gezin kan het in de praktijk heel anders uitvallen. Soms zal geen van de kinderen klachten krijgen, soms krijgen ze het allemaal. Het is ook niet zo dat als het eerste kind de aandoening niet heeft, het volgende kind meer kans zou hebben om het wel te krijgen of andersom. U kunt de kans op overerven vergelijken met het gooien van kop of munt. Als u kop gooit, krijgt uw kind de aandoening niet, als het munt is, heeft hij of zij wel kans om de aandoening te krijgen. En voor ieder kind moet u als het ware opnieuw gooien. Samengevat valt er over de kans op deze aandoening in uw persoonlijke geval dus geen enkele zinnige voorspelling te doen.

Lichamelijke kenmerken
Mensen die aan de erfelijke vorm van NA (HNA) lijden hebben soms een opvallend uiterlijk. Die veranderingen in het uiterlijk worden met een medische term ‘milde dysmorfe kenmerken’ genoemd. Hieronder vallen lichamelijke kenmerken zoals: dichtbijeenstaande en diepliggende ogen, een ‘Chinese’ vorm van de ogen, ongewone vorm van de oorschelp, een smal of niet symmetrisch (beide helften niet hetzelfde) gezicht, een smalle mond, een gespleten gehemelte of huig en wijd uiteenstaande tanden. In de rest van het lichaam kunnen als kenmerken voorkomen: bij de geboorte aan elkaar zittende vingers of tenen of aan elkaar zittende botten van de onderarm, hamertenen en een klein postuur (klein van stuk). Niet alle patiënten hebben deze uiterlijke kenmerken. Ook binnen één familie kan hierin verschil zitten. En er zijn ook familieleden beschreven die wel deze uiterlijke kenmerken hebben maar geen HNA.

Gen onderzoek
In de afgelopen jaren is meer wetenschappelijk inzicht gekomen in de erfelijke veranderingen die kunnen leiden tot HNA. Zo weten we dat er op meerdere plaatsen in het DNA een verandering kan zijn die HNA veroorzaakt. De aandoening is, om het in medische termen te zeggen, ‘genetisch heterogeen’. Er is echter pas van één gen onomstotelijk vastgesteld dat het tot HNA aanvallen kan leiden. Dit gen, of stukje erfelijk materiaal, heet SEPT9 en ligt op de lange arm van het 17e chromosoom (17q25). In dit gen zijn verdubbelingen of hele kleine veranderingen van het DNA-materiaal gevonden in families met HNA. Hoe deze precies aanleiding geven tot een grotere gevoeligheid voor een zenuwontsteking is echter nog niet duidelijk. Wel weten we dat de typische gelaatstrekken en andere uiterlijke kenmerken in sommige families veroorzaakt lijken te worden door één hele specifieke verandering in het SEPT9-gen, de zogenaamde ‘R88W’-verandering. Veranderingen in het SEPT9-gen zijn naar schatting aanwezig bij ongeveer de helft van de HNA-patiënten (of families). Daarnaast zijn er dus ook families die deze veranderingen niet hebben en moeten er dus nog meer genen op andere chromosomen zijn die bij een verandering HNA veroorzaken.

Omdat een verandering in het SEPT9-gen maar bij de helft (en in Nederland waarschijnlijk bij nog minder) van de HNA-patiënten voorkomt, is het nog niet zinvol om Nederlandse patiënten hierop te laten testen. Immers, als er dan geen verandering wordt gevonden, weet je nog niet zeker of je wel of geen HNA hebt. Voorlopig blijft de diagnose dus vooral afhankelijk van of er andere mensen met NA in de familie zijn. Er zijn geen andere kenmerken die voor een individuele patiënt een definitief onderscheid kunnen maken tussen de erfelijke vorm of niet. Zo komen bij beide vormen herhaaldelijke aanvallen voor en kunnen bij beide vormen ook zenuwen buiten de arm aangedaan zijn.

Overgenomen uit de folder: ‘Neuralgische amyotrofie: erfelijke en niet-erfelijke vorm’, geschreven door dr. N. van Alfen in samenwerking met de NA-onderzoeksgroep van het Radboudumc.